Hoe werkt een leefstijlcoach?

De leefstijlcoach is een nog vrij nieuw beroep. Eén van de kenmerken van de aanpak van een leefstijlcoach is dat hij coachen als grondslag heeft voor zijn aanpak. Dat betekent: hij gidst mensen bij het maken van hun eigen keuzes. Hoe gaat dat in zijn werk? Wat is er anders? Op deze pagina zie je het verschil tussen een veel voorkomend verloop van een gesprek over leefstijl in de zorg en een gesprek zoals dat kenmerkend is voor een leefstijlcoach. Twee dingen die je daarbij in gedachten kunt houden:

  • Leefstijlcoaches zijn geen zorgprofessionals; ze fungeren als gids voor iedereen die zijn dagelijkse gewoontes wil veranderen om zich goed te (blijven) voelen. In dit voorbeeld wordt een vergelijking gemaakt met gesprekken in een zorgsetting, omdat daar al vaak gesprekken over leefstijl worden gevoerd. Het gesprek van de leefstijlcoach had ook een gesprek kunnen zijn aan een keukentafel, een gesprek met een werknemer op verzoek van de werkgever of bijvoorbeeld met een klant van het wmo-loket van een gemeente.
  • De interventies die de leefstijlcoach doet in dit voorbeeld zijn methodisch en kunnen ook op groepsniveau worden ingezet. Daarbij zal elke deelnemer uiteraard tot andere actiepunten komen en andere drijfveren hebben.

Veel voorkomend verloop van een gesprek over leefstijl in de zorg

Mevrouw A. komt binnen voor een vervolggesprek.

Zorgverlener: “Goedemorgen, fijn om u weer te zien. Hoe is het met u?”

Mevrouw A.: “Nou, gaat wel. Ik heb nog steeds last van mijn schouder hè. De dokter zegt dat ik gewoon geduld moet hebben.”

Zorgverlener: “Oh, dat is vervelend voor u zeg. En hoe is het gegaan met het wandelen en het minder snoepen, waar we het vorige keer over gehad hebben?”

Mevrouw A.: “Nou, niet zo goed. Mijn zoon was jarig en op het werk hadden we ook veel traktaties. En dan zeg je natuurlijk niet elke keer nee. En het regende veel de afgelopen week, dus dan is wandelen ook lastiger.”

Zorgverlener: “Hoe vaak heeft u dan snoep, koek en taart gegeten de afgelopen twee weken?”

Mevrouw A.: “Nou, ik denk… ja, toch wel elke week twee of drie traktaties.”

Zorgverlener: “En verder?”

Mevrouw A.: “Tsja, ik eet natuurlijk een koekje bij de koffie ’s ochtends. En mijn man heeft een keer chocolaatjes meegenomen omdat hij me wilde verwennen. Dan vind ik het wel echt lastig om te zeggen dat ik die niet hoef. Hij bedoelt het zo aardig.”

Zorgverlener: “Dat is wel veel hè, alles bij elkaar. Daar moeten we wel naar kijken. Want het is voor u wel heel belangrijk hoor, om gezonder te leven. Anders wordt uw diabetes een serieus probleem. Weet u nog, waar we het vorige keer over hadden?”

Mevrouw A.: “Ja, dat weet ik natuurlijk wel.”

Zorgverlener: “Het klinkt alsof u het lastig vindt om nee te zeggen als mensen u iets lekkers aanbieden. Wat zou u kunnen doen om dat makkelijker te maken?”

Mevrouw A.: “Nou, ik weet niet.”

Zorgverlener: “Heeft u wel eens geprobeerd om mensen uit te leggen dat u op uw gezondheid wilt letten en dat het fijn is als ze u niet teveel zoetigheid aanbieden?”

Mevrouw A.: “Ja maar mijn man vindt dat lastig hè, die wil me graag verwennen. Hij bedoelt het goed.”

Zorgverlener: “Ja dat snap ik. Maar het is voor u niet goed. Dus dat kunt u hem misschien nog eens uitleggen.”

Mevrouw A.: “Ja, dat moet ik dan misschien maar doen.”

Zorgverlener: “Zullen we dat dan afspreken? En dat u dan niet meer dan één keer per week taart neemt, en geen chocolaatjes meer?”
Mevrouw A.: “Ja, oké.”

Zorgverlener: “Goed. En dan het wandelen. En wanneer kunt u komende week een wandeling inplannen?”

Mevrouw A.: “Oh eh… op zondag?”

Zorgverlener: “In de ochtend, de middag, de avond?”

Mevrouw A.: “In de ochtend.”
Zorgverlener: “En dan nog een keer door de week, is dat haalbaar?”

Mevrouw A. “Ja, op zich wel.”

Zorgverlener: “Op welke dag bijvoorbeeld?”

Mevrouw A.: “Ehm. Op woensdagochtend denk ik, voor ik de kleinkinderen ophaal.”

Zorgverlener: “Heel goed. Dan schrijf ik op dat u de komende weken op woensdagochtend en zondagochtend gaat wandelen. En verder gaat u maar één keer per week taart eten en geen chocolaatjes. En daarvoor gaat u ook nog eens met uw man praten, dat hij meedenkt over uw gezondheid en geen snoep meer voor u koopt. Goed zo?”

Mevrouw A.: “Ja, goed.”

(afronding gesprek)


Werkwijze kenmerkend voor een leefstijlcoach

Mevrouw A. komt binnen voor een vervolggesprek.

Leefstijlcoach: “Goedemorgen, fijn om u weer te zien. We hebben weer een half uur om samen te werken aan uw doel om fit te blijven zodat u nog heel lang kunt genieten van uw kleinkinderen. U weet al wat ik ga vragen hè? Waar bent u blij mee, of trots op, als u bedenkt hoe u de afgelopen twee weken bezig bent geweest met uw doel?”

Mevrouw A.: “Ja, ik dacht al dat je dat weer zou vragen. Waar ik trots op ben, is dat er heel veel verjaardagen waren de afgelopen weken en dat ik steeds een heel klein stukje taart heb genomen. Normaal zou ik zelfs wel een tweede stuk nemen en nu heb ik gewoon heel goed geproefd.”

Leefstijlcoach: “Oh, wat goed zeg! En wat vond u daar zo fijn aan?”

Mevrouw A.: “Nou, ik merkte soms dat ik de taart heel lekker vond en soms dat hij tegenviel. En toen bedacht ik: dat is ook een gek idee, dat ik vroeger twee stukken taart had gegeten die ik niet eens echt lekker vond. Nu geniet ik meer en ik weet dat ik ook beter met mijn lichaam omga, vanwege mijn diabetes enzo.”

Leefstijlcoach: “Dat lijkt me een fijn gevoel. Hoe kwam het nou, dat het zo goed lukte om een kleín stukje taart te nemen en goed te proeven?”

Mevrouw A: “Ik denk dat het komt omdat ik van tevoren bedacht: er komt nu taart. Wel even opletten hè, en niet zomaar wat in mijn mond stoppen!”

Leefstijlcoach: “Dat is mooi, zo bewust kiezen. Hoe komt het dat dat nu veel beter lukt dan eerst?”

Mevrouw A. “Ik denk dat ik een soort besluit heb genomen. Ik kan wel zeggen dat ik geniet van taart, maar ik geniet nog veel meer van mijn kleinkinderen. En bovendien geniet ik nu ook, dus ik hoef helemaal niet zoveel op te offeren.”

Leefstijlcoach: “Kijk, dat is goed om te weten. Als u een besluit neemt, helpt dat dus. En ook dat u zorgt dat u echt blijft genieten, terwijl u gezondere keuzes maakt?”

Mevrouw A.: “Ja, zeker. Ik ben wel echt een levensgenieter.”

Leefstijlcoach: “Heel goed. Als u nu denkt aan dat besluit dat uw kleinkinderen zo belangrijk zijn en dat u gezond wilt blijven, is er dan iets wat u verder wilt verbeteren aan uw gewoontes, waar u vandaag over wilt praten?”

Mevrouw A.: “Ik denk dat ik nog steeds teveel koekjes en chocolaatjes eet. Mijn man brengt ook vaak snoep voor me mee.”

Leefstijlcoach: “Oké.” (wacht af)

Mevrouw A.: “Ik vind het lastig om tegen hem te zeggen dat ik liever geen snoep en koek in huis heb. Hij wil me graag verwennen.”

Leefstijlcoach: “U wilt hem niet afwijzen.”
Mevrouw A.: “Nee. En ik vind een leven zonder koek en snoep ook wel saai.”

Leefstijlcoach: “Dus u wilt graag een leuke dag hebben en u wilt dat uw man aardige dingen voor u kan doen, waar u allebei blij mee bent.”

Mevrouw A.: “Ja, precies!”

Leefstijlcoach: “Heeft u de laatste tijd een keer een leuke dag gehad zonder dat u snoep of koek at?”

Mevrouw A.: “Even denken… ja, ik ben zondag met mijn man een stuk gaan fietsen en toen hebben we daarna ergens een broodje gegeten. Dat was heel gezellig.

Leefstijlcoach: “U vond de gezelligheid leuk. En wat was er nog meer zo fijn aan?”

Mevrouw A.: “Dat we lekker buiten waren. En ook weer eens samen een lang gesprek hadden.”

Leefstijlcoach: “Dus als uw man u wil verwennen, kan hij met u even lekker naar buiten gaan en bijpraten.”

Mevrouw A.: “Ja, zeker.”

Leefstijlcoach: “Dat klinkt goed. Wat zou u hiermee willen doen?”
Mevrouw A.: “Ik zou dat wel aan mijn man willen vertellen, dat ik dat vaker wil doen en dat ik dat nóg fijner vind dan chocola krijgen.”

Leefstijlcoach: “Prima! En is er nu nog iets wat u van mij nodig heeft in dit gesprek?”

Mevrouw A.: “Nee, ik ga dit doen. Heel fijn.”

(afronding gesprek)